Herfst & winter, een wandeling in het Ridderkerkse griend

Een beschreven rondwandeling.

Aart van Dragt

Historie


Voor de mens ingreep was het rivierdeltagebied een groot moerasbos van wilgen en elzen. Wat men nodig had verschafte de natuur. Om aan de stijgende vraag naar wilgen tenen te voldoen, legde men vanaf de 16e eeuw wilgenakker aan, op voor landbouw ongeschikte gronden. Vooral in de winter is het goed te zien dat de wilgen zijn aangeplant op twee tot drie meter brede akkers, omgeven door greppels. De aarde die bij het graven van die greppels vrij kwam werd gebruikt om deze akkers op te hogen. Het griend werd vaak omgeven door een zomerkade met daarin klepduikers. Bij klepduikers wordt de klep door het water open gedrukt als het water binnen het gebied hoger staat dan er buiten. De bedoeling was het water zolang mogelijk buiten het gebied te houden en het water dat in het gebied aanwezig was zo snel mogelijk af te voeren. Hierdoor kan er langer in het griend gewerkt worden.

Het Ridderkerkse griend

Dit 6 ha. grote griend is een van laatste getijdengrienden van ons land. Behalve langs de rivieren de Noord en de Oude Maas is het getijde griend uit bijna geheel Europa verdwenen door het afsluiten van de zeearmen. Het verschil tussen eb en vloed bedraagt ongeveer 90 cm. Na de regulering van de Noord in 1923 resteerde nog een klein stukje gors. In het kader van een werkverschaffingsproject werd hier begin jaren dertig een griend aangelegd. Tot 1945 werd dit griend door Jan de Jong uit Sliedrecht van de dienst Domeinen gepacht. Van 1945 tot circa 1965 werd het griend door de fa. P. Kraayenveld uit Barendrecht geëxploiteerd. Toen dit commercieel niet meer rendabel was verwilderde het griend totdat het personeel van de Stichting Drechtwerk in opdracht van de gemeente in 1975 het griend weer in cultuur bracht en toegankelijk maakte voor wandelaars. Hierdoor werd de gelegenheid geschapen voor iedereen om van dit natuurgebied te genieten.
Rondwandeling plattegrond met cijfers behorende bij de wandeling:
(Tip Is deze niet zichtbaar ververs dan de pagina)

1. Zomerkade

We wandelen over de zomerkade die de langgerekte plas tegen instromen van rivierwater moet beschermen. Met deze kade wordt voorkomen dat door het instromen van voedselrijk water de plantengroei zou toenemen en daardoor de plas snel zou dichtgroeien. In de winter zien we soms dat al het riet langs de waterkanten weggehaald wordt. Ook hierdoor tracht men het dichtgroeien van het water te voorkomen. Voor de natuur is het beste dat elk jaar een deel van riet wordt gemaaid. Veel insecten overwinteren in rietstengels en bepaalde vogels broeden graag in overjarig riet. En voor de mens geldt dat speciaal bij winterse omstandigheden een met riet begroeide oever een aantrekkelijke aanblik oplevert.

Gorzenplas

Tussen de zomerkade en de Deltadijk bevindt zich de Gorzenplas, heel poëtisch ook wel “Meer der Stilte” genoemd. Deze is ontstaan doordat met de aarde uit de Gorzenplas (toen een landbouwpolder) de in 1972 aangelegde Deltadijk is opgehoogd. Het riet dat in de plas haaks richting Deltadijk groeit geeft plaats aan waar vroeger de poldersloten liepen. De modder uit de sloten kon niet gebruikt worden op de dijk en daarom zijn de sloten niet afgegraven. Terplekke is het zeer ondiep en het aanwezige riet kreeg kans om uit te groeien.

Meerkoeten en waterhoentjes

Dichtbij het water zijn in de winter vaak grote groepen meerkoeten op de Deltadijk aan het grazen. Een meerkoet is een opvallende zwarte vogel met een grote bles op z’n kop. In de winter vormen ze (evenals veel andere vogels die op open water leven) grote groepen. Een roofvogel zal minder snel een aanval wagen op zo’n grote zwarte kudde.

Het kleinere waterhoentje zien we in de winter niet in groepen. Dit zwarte beestje met een opvallende rode snavel en langs z’n flanken een lichte streep, zit altijd in de buurt van een dichte begroeiing. Bij alarm vertrouwt het dier op een snelle vlucht en verstopt zich in het riet. Mocht dit te ver weg zijn, dan kent dit dier nog een truc. Hij laat zich heel diep in het water zinken, zodat alleen zijn snavel boven water uitsteekt. Het duikbootje komt pas weer boven water als het gevaar is geweken.

Steeds meer eendensoorten te zien

In de winter worden op de plas veel wilde eenden aangetroffen. Deze wilde eenden zijn schuwer dan soortgenoten op de vijvers en singels in de bebouwde kom. Van november tot maart kunt u een mannetjeseend, een vrouwtje zien versieren. Als inleiding tot de balts begint hij met zijn kop en staart te schudden. Maar het lijkt of de wilde eend in de minderheid is geraakt. Op de plas zijn veel verschillende eenden

Kuifeenden

soorten te zien. Heel opvallend zijn de kuifeenden, die we steeds meer zien. Voor 1940 kwamen ze hier alleen op trek of om te overwinteren. Kuifeenden zijn kleiner dan wilde eenden. De woerd is zwart en alleen en z’n flanken en z’n buik is wit. Op zijn achterhoofd hangt een kuifje. Het vrouwtje is donkerbruin en heeft evenals de woerd donkergeel omrande pupillen. Kuifeenden zijn echte duikeenden, die hun voedsel (voornamelijk driehoeksmosselen) van de bodem opduiken. Deze slikken ze in hun geheel door, waarna hun sterke maagzuur de kalk van de schelp verteert. Tussen de kuifeenden zwemmen vaak kleine aantallen tafeleenden. Hun grijze flanken vallen op. Ze hebben een bruine kop, maar die van het mannetje is veel donkerder. Hoewel ze ook wel duikend hun voedsel zoeken, zien we ze vaker met hun hoofd omlaag en hun staart omhoog grondelen. Hierbij grazen ze de ondiepe bodem af. Tafeleenden komen dan ook op ondiep water voor en kuifeenden op water dieper water.

 

2. De griendwerker

Soms spookt het op de terp

Op deze hoge droge terp stond een keet voor de griendwerkers, waarin 3 tot 4 mensen in de winterperiode van maandag tot zaterdag huisden. Een griendwerker had een zwaar beroep. Hij moest leven en werken onder moeilijke omstandigheden. In grote griendcomplexen als in de Biesbos bleef men vaak een week van huis. Tot 1926 sliep men in een zelf gebouwde hut van wilgentakken. Met oude kranten werden de ergste kieren gedicht. De daarna door de wetgever verplicht gestelde keet bood enige verbetering. Slaapplaatsen waren er langs de wanden en in het midden hing boven een rokerig vuur een zwarte kookketel. Door koude tocht en vochtigheid hadden veel griendwerkers last van reumatiek. In de winter was er veel werk. Het griend moest gedeeltelijk gekapt worden. De afgehakte wilgentakken werden tot bossen gebonden. Deze wel 45 kg zware bossen werden op de rug naar een verzamelplaats gedragen. Daar moesten ze wachten op verder transport. De rest van het jaar was er slechts voor enkelen werk. De sloten moesten uitgediept en het onkruid zoveel mogelijk bestreden worden omdat het een voedselconcurrent van de wilg is. Tegenwoordig wiedt men niet meer en laat men de natuur meer zijn gang gaan. Productie is immers van geen belang. Het griend is nu een prachtig natuurgebied dat herinnert aan hoe men vroeger leefde en werkte.

Werkzaamheden

Het kan in de winter gebeuren dat u in de griend een door merg en been dringend geluid hoort. Hier zijn dan de griendwerkers bezig. Niet meer met een hakbijltje, maar met een motorzaag worden knotwilgen van hun pruik ontdaan. Er zijn helaas nauwelijks nog afzet mogelijkheden voor dit product. De takken worden daarom verzameld en op lange rillen gelegd. Daarna worden ze vastgezet om te voorkomen dat ze zich met hoog water al drijvend door de hele griend verspreiden. Op het open terrein zullen in het voorjaar een overdaad aan kruiden tot ontwikkeling komen, gebruik makend van de zonne-energie die tot de bodem door kan dringen. De wilgentakken zullen binnen een jaar tot twee meter uitgroeien. En over een jaar of drie komen de griendwerkers weer langs om ze te knotten.

In het griend zien we oude stobben en jonge stekken van de wilg. Na enige tientallen jaren wordt de productie van de knotwilg minder. Zo’n oude stobbe wordt dan vervangen door een jonge gezonde stek. Hiervoor gebruikt men stevige pas gehakte wilgenstokken van circa 2 meter lengte. Deze worden ongeveer 50 cm in de grond gedrukt. Bij de volgende hak worden ze tot 30 cm ingekort. Daarna vullen ze na een paar jaar het gat in het griend op.

Korstmossen

Op verschillende wilgen is naast mos ook een lichte groene aanslag te zien. Dit zijn korstmossen. De voor luchtverontreiniging zeer gevoelige korstmossen zijn een samenlevingsvorm van twee totaal verschillende planten. Namelijk een schimmel en een alg. De schimmel beschermt de alg en groene alg zorgt d.m.v. fotosynthese voor voedsel. Hoe komt het nu dat korstmossen zo gevoelig zijn voor luchtvervuiling? Korstmossen hebben geen wortels, ze nemen het water met daarin de benodigde mineralen op over hun gehele oppervlakte. Met het water worden allerlei stoffen, die tijdens het transport door de lucht erin zijn opgelost, ook opgenomen. In de Rijnmond vind je alleen korstmossen die bestand zijn tegen zeer sterke luchtverontreiniging. In de jaren ’70 kwamen in deze streken bijna geen korstmossen meer voor. Door daarna genomen maatregelen is de Rijnmond nu geen korstmos arm gebied meer.

3. De tijsloot

Deze brede sloot staat in verbinding met de rivier. Bij eb en vloed staat hier een sterke stroming. Deze stroming heeft er voor gezorgd dat de oevers flink zijn uitgesleten. De tijsloot staat via greppeltjes in verbinding met het hele gebied en zorgt voor de aan- en afvoer van het rivierwater. Door het minder intensieve onderhoud zijn vele greppels dicht geslibt. Hierdoor kunnen riviervissen hun paaiplaatsen niet meer bereiken. In de dicht geslibde greppels hebben zich vele vochtminnende gevestigd en ze groeien geweldig in deze voedselrijke modder. Tot twee meter en meer hoog in de wilgen zijn slingerplanten als haagwinde en bitterzoet te zien.

Overwinterende ganzen

Op een winterdag trekt regelmatig in V-vorm een koppel ganzen over. Vaak vergezeld van een gakkend geluid. Mensen kijken naar boven. Het gaat vriezen, zeggen ze tegen elkaar.. Maar ganzen vliegen dagelijks, van hun slaapplaats naar voedselgebieden. Daarom komen ze naar de rivierdelta, hier liggen die twee dichtbij elkaar en het water bevriest zelden. Slapen doen ze bij voorkeur op open water, waar ze niet bang hoeven te zijn om door een vos te worden verrast. Grazen doen ze in weidegebieden als de Alblasserwaard. Daar is niet elke boer blij mee. Drie of vier ganzen eten evenveel als een koe. En ze grazen al keutelend, zodat in het voorjaar de koeien in de eerste weken hun neus ophalen voor het door ganzen bevuilde gras. In het voorjaar haalt het gras snel de opgelopen achterstand in. Heel veel ganzen (naar schatting 1,5 miljoen!) komen uit Scandinavië en Rusland om in ons land de winter door te brengen. Van veel soorten overwintert het overgrote deel van de populatie in ons land. De laatste jaren blijven ook steeds meer ganzen in ons land overzomeren en trekken dus niet meer weg. Broeden de eerste (grauwe) ganzen in de jaren tachtig de Oostvaardersplassen sindsdien broeden ganzen op steeds meer plaatsen.

4. Oude haven

Op dit uiterste puntje van het griend, is de oude toegang tot de haven van Ridderkerk te zien. De haven lag ter plaatse van de Havenstraat (Nabij bas van der Heiden). In 1933 werd er een kortere verbinding met de Noord gegraven. Aan de overkant van de havengeul is de strekdam van het “Nieuwe Veer” te zien. Hierover reed tussen 1785 en 1942 het verkeer dat moest worden overgezet naar Alblasserdam. Aan de oever is goed zichtbaar dat grote delen zijn weggeslagen door de golven. Dit is een gevolg van het drukke scheepvaartverkeer op de rivier. Ondanks de bloot gespoelde wortels trachten de wilgen zolang mogelijk stand te houden. Toen de arbeidskosten nog lager waren, werden er schermen gevlochten van wilgentakken die de oever moesten beschermen. Tegenwoordig wordt daarvoor steenslag of slakken van elders aangevoerd.

5. Oeverwal

Als we langs de oever van de Noord teruglopen, valt plaatselijk de zanderige ondergrond op. Dit zand dat met de rivier werd meegevoerd kwam op plaatsen waar de stroomsnelheid terug liep tot bezinking. Hierdoor is plaatselijk een zanderige oeverwal ontstaan. Op enkele plaatsen is te zien dat het water de wortels van knotwilgen heeft bloot gewoeld. Ze staan op stelten! In de zomer is dit nauwelijks te zien omdat de kruidengroei dan de wortels camoufleren.

Zwarte populier

Op onregelmatige afstanden staan langs de oever van de Noord, aan de linkerzijde van het pad jonge populieren. Het zijn zwarte populieren die vroeger in het rivierengebied algemeen voorkwamen. Deze inheemse soort heeft plaats gemaakt voor cultuurvariëteiten die beter gevormd zijn en sneller groeien en beter hout leveren. De zwarte populier werd bijzonder zeldzaam. Toen begin jaren negentig een begin werd gemaakt met natuurontwikkelingsprojecten in het rivierengebied kreeg de zwarte populier nieuwe kansen om zich te vestigen. Het kortkiemkrachtige zaad ontkiemt langs de waterlijn. Vaak staan ze in rijtjes langs de oever, net als deze in 1992 geplante bomen.

6. Kilometerbord voor schepen

Als we tegenover het aan de andere oever zichtbare kerkje staan,
kijken we tegen de achterkant van een flink bord aan dat op de oever geplaatst is.
Voor schepen is daarop de afstand tot Basel aangegeven.
Maar pas op, het lopen over de oeververdediging is gevaarlijk, omdat je zo van de gladde stenen afglijgt.
Op de foto is te zien dat in de vroege herfst de kattestaart nog staat te bloeien.

Winterkost

Langs de over zien we in de herfst en winter nog veel kale stengels van grote planten staan. Veel insecten gebruiken de holle stengel om te overwinteren, een opening in de stengel maakt ons hierop attent. Mezen speuren in de winter vaak de stengels af, op zoek naar zo’n insect en hakken er dan een flink gat in om er bij te kunnen. De planten in het griend kunnen zo enorm uitgroeien omdat de bodem regelmatig door overstromingen wordt verrijkt met voedselrijk slib. Een voorbeeld is de Gewone berenklauw die in het griend wel twee meter hoog kan worden. langs de oever groeien soorten, die tot de mooiste bloemplanten gerekend kunnen worden. Voorbeelden zijn koninginnekruid, boerenwormkruid, kattenstaart, wilgenroosje en engelwortel. Ze bloeien lang en laat in het jaar. Daarom zijn ze van groot belang voor vlinders zoals; atalanta, distelvlinder, landkaartje, gehakkelde aurelia, kleine vos en dagpauwoog. Als er brandnetels staan, hebben we voor veel vlinders de ideale combinatie van waardplanten voor de rupsen en nectarplanten voor de vlinders. Verder trekken ruigtekruiden veel soorten als hommels, solitaire bijen, zweefvliegen e.a. aan.

7. waterzuivering

De betonnen bak bevat de uitlaat van de waterzuivering. Onder de dijk ligt een rechte leiding naar de achter de dijk gelegen waterzuivering. Het rioolwater van H.I.Ambacht, Ridderkerk en de Beverwaard wordt na reiniging op de rivier de Noord geloosd. Vooral in de winter als door vorst de achter de zomerdijk gelegen plas is dicht gevroren zijn hier veel meerkoeten, kuifeenden en tafeleenden te zien. Hier is het dan nog mogelijk naar voedsel te duiken.

8. Stroomkerende dijk

De dam waarover we teruglopen is in 1974 aangelegd.
Ze moet voorkomen dat bij extreem hoge waterstanden een sterke stroming over de haven en het griend trekt. Daarbij zou de haven tijdelijk onbruikbaar worden.
Met een uitgekiend maaibeheer tracht men van deze op het zuiden gerichte dijk tot een bloemdijk te maken.

Op de wal staan jonge haagbeuken die in de winter deels hun blad behouden, dat dan wel bruin verkleurd is. Als ze ouder en hoger worden verliezen ze dit vermogen. Ook zien we enkele struiken die zelfs ver in de winter nog rode bessen dragen. Het is de Gelderse roos. De bessen van deze plant zijn giftig. De vogels eten ze pas als ze echt honger hebben. In deze tijd van het jaar ritselt het hier in het struikgewas vaak van de vogels. Doordat alles kaal is, zijn er in de winter vaak meer vogels te zien dan in de zomer. vele bessen- en zaadeters komen uit het hoge noorden naar onze streken en laten zich op een mooie dag goed observeren.

Behoud van het griend

Nog steeds is het voortbestaan van het griend niet verzekerd. De plannen van Rijkswaterstaat om ten behoeve van de scheepvaart een deel van het griend weg te baggeren zijn in de ijskast verdwenen. Maar waakzaamheid blijft geboden. De Natuurvereniging IJsselmonde inventariseert gedurende een reeks van jaren de planten en de vogels in dit gebied om de natuurwaarde van het terrein aan te kunnen tonen. Het is een van de weinige getijdengrienden van de wereld, gelegen in de drukst bevolkte gebied van ons land. Dit unieke stukje natuur dient behouden te blijven.