Enkele jaren geleden volgde ik de natuurgidsenopleiding bij IVN Dordrecht. Sindsdien leid ik met
veel plezier groepen rond op het Eiland van Dordrecht. Of het nu gaat om een stadspark, een
landgoed, een bos als De Elzen, de binnenstad van Dordt of een verlaten griend in de Dordtse
Biesbosch, doel is altijd om de deelnemers iets van mijn bewondering voor de natuur mee te geven.
Voor het vierde jaar inmiddels geef ik met een of twee collega-gidsen de IVN excursie
‘strandvondsten en diersporen’. We gaan daarvoor onveranderlijk naar de Nieuwe Merwede. Het is
altijd prijs daar. De oeverstrandjes liggen bezaaid met korfmossels, zwanenmossels, schildermossels
en vijvermossels. Hoewel onaanzienlijk van uiterlijk, vervullen deze tweekleppigen een heel
belangrijke ecologische functie. Ze zijn zeg maar de vuilnismannen van onze sloten, plassen en
rivieren. Wat andere dieren versmaden, daar smullen zij juist van. Detritus, oftewel organisch afval,
in het water zwevende algen en allerlei slibdeeltjes, dit alles filteren ze weg en daarmee houden ze
hun waterige omgeving leefbaar voor andere planten en dieren. Soms treffen we tussen de mossels
zaken aan als een aangespoelde Chinese wolhandkrab, of rode Amerikaanse rivierkreeften, een paar
beverkeutels of een enkele onfortuinlijke vis, zoals een bot vorig jaar. Deze platvis leeft en paait
vooral in zee, maar wil zijn jeugd nog weleens in zoet water doorbrengen. Dat laatste was nieuw
voor mij. Als gids leer je elke keer wat bij.
Meestal bezoeken we voor onze zoetwatermossels de Oosthaven, een inham van de Nieuwe
Merwede. Maar als de paden daar onbegaanbaar raken door hoog water dan wijken we uit naar de
hoger gelegen kades bij de Zuidhaven. Zo ook op 21 februari. Wij, drie gidsen, stonden te wachten
op ons publiek, schuilend onder een paraplu of diep weggedoken in een capuchon. Af en toe wierp
iemand een blik omhoog. De wolken hadden zich gegroepeerd tot een hemelomspannende zwarte
bloemkool. Het was zo’n dag waarop de meeste mensen een meubelboulevard opzoeken of een
museum. Ik begon te twijfelen. Wie zou te porren zijn voor een excursie in een van zichzelf al
waterrijk natuurgebied? Maar toch… Twee dapperen meldden zich, allebei collega-IVN gidsen.
Goed voorbereid met regenlaarzen, regenpakken, sjaals en wanten.
Ter plekke besloten we om dit keer eens een andere route te nemen dan de gebruikelijke over de
kades naar de Tongplaat. Elk nadeel heeft zijn voordeel, bedacht ik, want zo’n kleine opkomst zorgt
anderzijds weer voor de nodige flexibiliteit. We trokken eerst een stukje langs de Zuidhaven om bij
de Nieuwe Merwede af te buigen naar het Noorden, richting de Kop van ’t Land. De route langs de
rivier was aanvankelijk goed te doen. Een beetje modderig, dat wel. Maar na honderd meter
strompelden we tot onze enkels door het water en gaandeweg het pad zouden ook de knieën niet
droog blijven zo schatten we in. Links van ons strekte het voormalige griend zich uit. Als je goed
keek zag je nog het oude patroon van afwisselend afwateringssloten en met de jaren afgesleten
dijkjes. De laatsten met wilgen die tot zo’n 15 meter hoogte waren doorgeschoten. En in de
openingen tussen de wilgen een tapijt van kiemplantjes, braam en struweel. Het geheel leek
allemaal iets hoger te liggen dan het pad, dus de keuze was eenvoudig.
De tocht door de oude wilgenakkers bleek al snel vrij uitdagend. De kreken waren door het hoge
water vele malen breder geworden en wat erger was: vele malen dieper. We sleepten dikke takken
en halfvergane boomstammen naar de waterkant, lieten ze zakken tussen het riet en de lisdoddes en
wisten al balancerend droog en wel de overkant te halen. Op de andere oever hield iemand stil en
wees naar de bodem. Een klein helderrood zwammetje stak fel af tegen het rottend schors en hout.
Een rode kelkzwam. Vroeger een zeldzaamheid, maar inmiddels van de rode lijst verdwenen. De
eendenkooi aan de Oude Maas bij de Rhoonse grienden is een van de plaatsen waar je er bijna
letterlijk over struikelt. Mooi om vast te stellen dat ie hier ook voorkomt. We klauterden verder over
omgevallen wilgen. Bij een modderig, glad gedeelte klemden we ons vast aan een woud van
wilgen- en elzenstammen, de takken, neerwaarts gebogen, zwaar van het vocht. Overal om ons heen
knaagsporen, glijsporen en versleepte en aangevreten takken. Het was wel duidelijk door wiens
leefgebied we hier banjerden. Een eenzaam hoopje reeënkeutels leek te protesteren: ‘maar wij zijn
er ook nog’. In de verte stak de veilige kade naar het fietspad een heel stuk boven het griend uit.
Maar eerst moesten we nog een 5 meter brede kreek passeren. Net voor de watergeul stuitten we op
een hoopje visgraatjes. Elk niet veel groter dan een paar centimeter, kriskras door elkaar. Resten van
de braakbal van een ijsvogel misschien?
Al struinend langs de waterkant leek de kreek alleen maar breder te worden. Ik kreeg er gaandeweg
een hard hoofd in. Totdat we aankwamen bij een plek waar twee wilgen dwars over het water waren
gevallen. De ene wilg rustte op de ander, samen een ligger en leuning vormend. We togen snel aan
het werk. Een paar wankele takken, een losse boomstronk, daar overheen nog meer takken en klaar
was onze overspanning. Aan de andere zijde lonkte de kade. Voetje voor voetje, ons vastgrijpend
aan de takken van de bovenste wilg, bereikten we de veilige oever. De miezerregen was intussen
opgehouden, we lachten opgelucht, niemand had zelfs maar een druppel water geschept en boven
ons glimde nu een randje zon tussen de wolken.
Normaal gesproken blijven we bij IVN excursies keurig op de paden en zijn onze wandelingen een
stuk minder modderig en avontuurlijk. Maar ze zijn wel net zo interessant. Zin om een keertje mee
te lopen? Check dan de agenda van onze natuurvereniging. Een paar van de IVN tochten die ik zelf
begeleid staan daar vermeld. Het kost je niks en je hoeft je in de meeste gevallen niet aan te melden.
Tot ziens op een van de volgende excursies!
Johan Baks

