Bevers

Bever Foto Jaap Nispeling

Afgelopen jaren gingen leden van de Natuurvereniging IJsselmonde bijna jaarlijks met een fluisterboot in de Brabantse Biesbosch op excursie op zoek naar bevers. De vaartocht in de avondschemering was op zich al een avontuur. Soms kregen we een bever op enkele meters rustig te aanschouwen terwijl het dier zat te eten. Een andere keer zwom het dier vlak langs de boot. Inmiddels worden bevers steeds vaker waargenomen.

In 1825 verdween de laatste bever uit Nederland. Al eerder was de bever uitgeroeid in Engeland en Italië. In de 19e eeuw verdween de bever ook uit veel andere Europese landen. Enkele kleine populaties bleven over, onder andere langs de Elbe en de Rhône. De laatste Nederlandse bever werd bij Zalk door een visser doodgeslagen. Vissers hadden een hekel aan het dier omdat men dacht dat deze vegetariër een viseter was. Daarnaast leverde een dode bever nog een aardige duit op. Van de pels maakte men bontkragen en hoeden. Het zgn. bevergeil, dat de bever gebruikt om zijn territorium af te bakenen, was een gezocht geneesmiddel. Het middel werkte als een aspirine. In een aspirine zit de werkzame stof salicine dat ook in de wilgenbast zit. En die wilgenbast wordt juist door bevers in grote hoeveelheden gegeten.

In het najaar van 1988 werden enkele bevers, afkomstig uit de Elbe, uitgezet in de Biesbosch. Tot in 1991 werden daar in totaal 42 bevers uitgezet. In de eerste jaren overleden meer bevers dan er door voortplanting bijkwamen. Er waren verschillende oorzaken, maar de voornaamste is waarschijnlijk stress als gevolg van de verhuizing. De populatie is de laatste jaren flink gegroeid. In de Millingerwaard, ten oosten van Nijmegen, zijn in 1994 in totaal 54 bevers zijn uitgezet liep ook het aantal eerst sterk terug alvorens uit te breiden. Op diverse andere plaatsen, met name in het rivierengebied en het Roerdal, hebben bevers nu hun burchten gebouwd.

Die dieren zijn afkomstig van bestaande populaties in de Biesbosch of Gelderse Poort en de Eifel. In Flevoland heeft zich sinds 1990 een populatie ontwikkeld uit exemplaren die zijn ontsnapt uit het Natuurpark Lelystad. De populatie heeft zich over Oost- en Zuid-Flevoland verspreid. Bevers nemen zelf het initiatief om nieuwe leefgebieden te zoeken. Om een nieuw territorium te stichten is een bever bereid om flinke reizen te maken. Ze hebben zich verspreid door het hele rivierengebied. Ook op diverse plaatsen aan de rand van eiland IJsselmonde huizen inmiddels bevers.

De bevers zijn naar ons land gehaald om voor meer variatie in de natuurgebieden te zorgen.  Als er door de mens niet wordt ingegrepen ontstaan er langs de rivieren dichte bossen van slechts enkele boomsoorten. Met hun gegraaf en geknaag zorgt de bever voor meer afwisseling. Bevers zijn flinke dieren. Ze wegen circa 25 tot 30 kilo en meten van kop tot staart ongeveer een meter en dertig centimeter. Die laatste dertig cm bestaat uit de brede platte staart waarmee een flinke klap op het water geven om soortgenoten te waarschuwen als gevaar dreigt. In de zomer slapen de dieren meestal buiten. Hun menu bestaat uit een grote verscheidenheid aan waterplanten zoals kattenstaart, dotterbloem, gele lis, berenklauw en smeerwortel. In de winter slapen ze in een burcht en eten graag de bast van bomen. Een enkele bever is in staat per jaar vierduizend kilo hout om te knagen. Dat zijn zo’n veertig tot zeventig bomen.